Over een paar weken is het weer zover: de slow triatlon. Het begint inmiddels een traditie te worden met mijn zus Jolanda. Eerst deden we twee keer de 1/8, nu voor de tweede keer de 1/4. Dat betekent 1 km zwemmen, 40 km fietsen en 10 km wandelen.

Net als vorig jaar dacht ik ook dit jaar: wandelen, geen enkel probleem. Fietsen: hmm, maar goed, je begint te trappen, volgt de route en dan eindig je na een paar uur vanzelf weer bij de finish. Dat zwemmen daarentegen, daar wilde ik vooraf wel weer wat meters voor hebben gemaakt. In open water, want bij de triatlon zwemmen we ook in open water.

En daar gaat mijn hoofd.

Dit kan ik niet. Ik ga toch al twee keer per week naar de sportschool, waarom moet ik dit dan weer doen? Ik heb geen auto meer en de fijne plek waar ik kan oefenen is 7 km fietsen. Kan ik dat wel in mijn eentje? Ik kan alleen de schoolslag op mijn buik en op mijn rug. Ik weet niet eens hoe die slag op mijn rug heet, zo’n goede zwemmer ben ik dus. Die zwem ik trouwens vooral omdat ik de schoolslag op mijn buik niet zo lang achter elkaar volhoud, want dan krijg ik nekpijn.

Ik heb vorig jaar een wetsuit geleend en inmiddels zelf eentje gekocht. Ook heb ik een nieuwe badmuts en een duikbril. Ik zie er dus hartstikke professioneel uit. Dat helpt ook niet.

Want wat denken mensen wel niet als ik daar in mijn profi-outfit het water in stap en vervolgens alleen maar de schoolslag zwem? Met mijn hoofd boven water?

En dan moet ik me ook nog in de buitenlucht omkleden. Wat als er ineens andere mensen zijn? Mijn wetsuit heb ik thuis droog geoefend met aan- en uittrekken. Er zit zo’n koortje aan de rits zodat ik hem zelf dicht en open kan trekken. Droog lukt dat. Maar een nat wetsuit is toch andere koek, weet ik uit ervaring. En wat als ik loop te klungelen met mijn badmuts? Zo’n ding zit per definitie veel te strak om je hoofd. Op zich ook wel logisch, anders heeft zo’n badmuts weinig zin.

En het duurt allemaal zo lang. Met een rondje sportschool ben ik veel eerder klaar.

Genoeg redenen om niet te gaan dus.

Gelukkig heb ik ook nog wat tegenargumenten die bovenstaande gedachten met zwaarden te lijf gaan. Natuurlijk kun je dit. Vorig jaar kon je het toch ook? Ja, toen ging je met de auto, maar was het niet toevallig een triatlon waar je voor aan het trainen bent? Daar hoort fietsen ook bij. Die 7 km enkele reis kun je makkelijk. Heeft iemand je ooit uitgelachen om je nep-profi zwemoutfit? En zouden er misschien ook mensen zijn die dit óók wel zouden willen, maar niet durven?

Bovendien weet ik hoe lekker ik het vind om te zwemmen. Het open water, de rust, de stijfheid uit mijn schouders zwemmen. En ik weet ook dat ik na afloop altijd denk: wat was dit toch weer fijn.

Zoals dat bij mij werkt met doelen stellen, zet ik het in mijn agenda én vertel ik anderen dat ik ga. Dan kan ik er moeilijker onderuit.

Toch merk ik dat die eerste keer een te hoge drempel is. Waarom precies? Geen idee. Ik besluit mijn doel maar even doormidden te hakken. Ik hoef niet te zwemmen. Ik fiets alleen naar de plas, ga daar even zitten en fiets weer terug. Dan weet ik hoe ver het precies is en kan ik me beter voorstellen hoe het is om er daarna ook nog te gaan zwemmen.

Dat gaat prima. En ik merk onderweg meteen weer hoe fijn ik fietsen vind als ik stevig doortrap. Blijkt dit uitje ook nog therapeutisch te werken. Twee vliegen in één klap.

De week erna besluit ik hetzelfde ritje te maken, maar nu mét wetsuit. En ik ga zwemmen. Tien rondjes. Want vorig jaar heb ik een keer uitgerekend dat dat ongeveer 1 km moet zijn. Ik ga natuurlijk meteen voor de hele kilometer en niet voor de helft.

Als ik bij de plas aankom, zie ik twee mensen zwemmen. Mensen! Tegen de tijd dat ik me in de open lucht heb omgekleed, zijn zij gelukkig klaar en heb ik de plas voor mezelf.

In mijn nep-profi zwemoutfit loop ik op mijn Crocs naar het trappetje. Die Crocs zijn fijn, want het gras is net gemaaid en zo voorkom ik dat ik straks helemaal onder de grassprieten zit.

Het water is heerlijk en meteen denk ik: waarom ben ik niet eerder begonnen met trainen? En waarom doe ik dit niet vaker? Eén rondje, twee rondjes, drie rondjes. Pfff. Andere koek dan de sportschool. Mijn doel van tien rondjes stel ik naar beneden bij naar acht. Acht is ook prima.

Maar dan komt er een hele klas schoolkinderen aan die bij de plas pauze gaat houden. Later blijkt dat ze op de fiets onderweg zijn naar kamp. Ik bekijk de groep en denk: die zijn hier niet over drie minuten weer weg. Omkleden tussen deze groep 8-ers zal dus sowieso moeten. Dan kan ik net zo goed nog even doorzwemmen. En zo zwem ik alsnog in totaal tien rondjes. Als ik stop, blijkt dat ik 40 minuten heb gezwommen. Heerlijk!

Dan moet ik me alleen nog even omkleden. In de buitenlucht. Tussen een heleboel kinderen. Zonder minutenlang in mijn blootje te staan. Dat blijkt een opgave die enige handigheid vereist. Handigheid waar ik niet over beschik.

Met mijn T-shirt half nat stap ik uiteindelijk voldaan weer op de fiets. Nog 7 km terug naar huis. Nog 7 km therapie op de trappers. En natuurlijk denk ik onderweg wat ik eigenlijk al wist voordat ik vertrok: wat was dit toch weer fijn.

Na afloop denk ik aan de uitspraak van Kierkegaard die me al een tijdje vergezelt:

‘Durven is even je evenwicht verliezen. Niet durven is jezelf verliezen.’

Check. Alweer mezelf niet verloren met deze activiteit.

Wil je een reactie geven?